1. 코스/요리 (gangen) het voorgerecht = appetizer = 전채요리, 애피타이저 het hoofdgerecht = main dish = 주요리 het nagerecht / het toetje = dessert = 후식, 디저트 2. 식사 도구 (bestek) de lepel = spoon = 숟가락 het mes = knife = 나이프 de vork = fork = 포크 3. 팁 주기 (een fooi geven) Laat de rest maar zitten. / Het is goed zo. = You can keep the rest. / It's alright. = 잔돈은 괜찮아요. Maak er maar €... van. = Let's make it €... = €...로..